Glossaire

A

  • AAA-RATING
    • De hoogst mogelijke rating die een obligatie kan krijgen van een kredietratingbureau. Obligaties met een rating van AAA worden geacht het laagste wanbetalingsrisico in te houden. Een wanbetaling houdt in dat een bedrijf of overheid niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.
  • AANDEEL
    • Een eigendomsbelang in een bedrijf, doorgaans in de vorm van een effect. Aandelen bieden de beleggers een deelname in de potentiële winst van het uitgevende bedrijf, maar gaan ook gepaard met het risico dat de hele belegging verloren gaat als het bedrijf failliet gaat.
  • AANDELEN
    • Een aandeel in de eigendom van een bedrijf (vennootschap). Het biedt de beleggers een deelname in de potentiële winst van het uitgevende bedrijf, maar gaat ook gepaard met het risico dat de hele belegging verloren gaat als het bedrijf failliet gaat. 
  • AANDELENKLASSE
    • Type van fondsaandelen in het bezit van beleggers in een fonds (aandelenklassen verschillen in hun kosten en/of door andere kenmerken zoals een valuta-afdekking). Ieder fonds van M&G heeft verschillende aandelenklassen, zoals A, R en I. Elke klasse heeft een andere kostenstructuur en een ander minimaal beleggingsbedrag. De details van de kosten en minimale beleggingen zijn te vinden in de Essentiële Beleggersinformatie.
  • AANDELENKLASSEAFDEKKING
    • Activiteiten die worden uitgevoerd met betrekking tot afgedekte aandelen om de impact op het rendement te verminderen van wisselkoerswijzigingen tussen de valutablootstelling van het fonds en de gekozen valuta van de belegger. 
  • ABSOLUUT RENDEMENT
    • De stijging of daling in de waarde van een actief gedurende een bepaalde termijn, uitgedrukt als een percentage.
  • ACTIEF BEHEER
    • Een beleggingsaanpak waarbij kapitaal wordt gespreid naargelang het oordeel van de belegger of de fondsbeheerder(s). Een actieve belegger streeft ernaar een hoger rendement te verwezenlijken dan dat van de aandelenmarkt of een bepaalde benchmarkindex/sector, in plaats van het gewoon te evenaren.
  • ACTIEVE BEHEERDER
    • Een fondsbeheerder die een actieve beheerstijl hanteert voor zijn beleggingen. Een actieve belegger streeft ernaar een hoger rendement te verwezenlijken dan dat van de aandelenmarkt of een bepaalde benchmarkindex/sector, in plaats van het gewoon te evenaren.
  • ACTIVA
    • Alles wat een commerciële of handelswaarde heeft en eigendom is van een bedrijf, instelling of persoon.
  • ACTIVAKLASSE
    • Categorie van activa, zoals contanten, bedrijfsaandelen, vastrentende effecten (obligaties) en de betrokken subcategorieën, naast materiële activa zoals onroerende goederen.
  • ACTIVASPREIDING
    • Spreiding van het vermogen van een portefeuille op basis van zijn risicotolerantie en beleggingsdoelstellingen.
  • AFDEKKING
    • Een methode om onnodig of onbedoeld risico te beperken.
  • ALFA
    • Het extra rendement van een fonds ten opzichte van het rendement van zijn benchmark. Het wordt vaak beschouwd als de extra waarde die een fondsbeheerder toevoegt aan of aftrekt van het rendement van een fonds. Staat ook bekend als relatief rendement.
  • AMERIKAANS SCHATKISTPAPIER
    • Vastrentende effecten uitgegeven door de Amerikaanse overheid.

B

  • BAISSEMARKT
    • Een markt (ook berenmarkt geheten) waarin de koersen van effecten dalen en een algemeen pessimisme vaak leidt tot een zichzelf versterkend negatief sentiment. Een effect of index zit doorgaans in een baissemarkt wanneer de waarde van piek tot dieptepunt met 20% daalt.
  • BEDRIJFSOBLIGATIES
    • Vastrentende effecten die worden uitgegeven door een bedrijf. Ze worden ook obligaties geheten, en ze kunnen hogere rentebetalingen bieden dan obligaties uitgegeven door een overheid, omdat ze als riskanter worden beschouwd. Beleggers verwijzen er ook naar als “krediet.”
  • BEGRENSDE BENCHMARK
    • De portefeuille moet de effecten in de benchmark en hun wegingen repliceren. De benchmark kan een index of een sector zijn. Afhankelijk van het mandaat van het fonds kan de beheerder de posities rechtstreeks repliceren of via derivaten, dit zijn instrumenten waarvan de waarde wordt afgeleid van die van onderliggende effecten of een groep van effecten.
  • BEGROTINGSBELEID
    • Het overheidsbeleid inzake belastingen, uitgaven en leningen.
  • BENCHMARK
    • Maatstaf, zoals een index of sector, waartegen het rendement van een portefeuille wordt afgewogen.
  • BETALINGSDATUM
    • De datum waarop het fonds de uitkeringen betaalt aan de beleggers, meestal de laatste werkdag van de maand.
  • BEURSINTRODUCTIE
    • De eerste verkoop van aandelen door een private vennootschap aan het publiek.
  • BEURSVERHANDELD FONDS (EXCHANGE-TRADED FUND, ETF)
    • Een type fonds dat op een aandelenbeurs wordt verhandeld zoals gewone aandelen. ETF's kunnen in de loop van de hele dag worden gekocht en verkocht, zoals gewone aandelen, terwijl de prijs van andere types fondsen slechts eenmaal per dag wordt bepaald.
  • BEURSVERHANDELD
    • Verwijst doorgaans naar effecten die worden verhandeld op een beurs, zoals bedrijfsaandelen op een aandelenbeurs.
  • BLOOTSTELLING
    • Het deel van een fonds dat belegd is in een bepaald aandeel/vastrentend effect/index, sector/regio, doorgaans uitgedrukt als een percentage van het globale fonds.
  • BOTTOM-UP SELECTIE
    • De selectie van aandelen op basis van de aantrekkelijkheid van de fundamentele kenmerken van een bedrijf, zoals de winstgroei of de dividenden.
  • BUNDS
    • Vastrentende effecten (obligaties) uitgegeven door de Duitse overheid.

C

  • CHARITY AUTHORISED INVESTMENT FUND (CAIF)
    • Een beleggingsfonds dat zowel een geregistreerde liefdadigheidsinstelling als een goedgekeurd beleggingsfonds is. Het CAIF moet zich houden aan de liefdadigheidswetgeving en de wet- en regelgeving op het gebied van financiële dienstverlening, en wordt voor belastingdoeleinden meestal behandeld als een geregistreerde liefdadigheidsinstelling.
  • COLLECTIEVE BELEGGINGSINSTELLING (CIS)
    • Soms ook ‘gepoolde belegging’ genoemd. Dit is een regeling waarbij een fondsbeheerder het gepoolde geld belegt in een of meer soorten activa, zoals aandelen, obligaties of vastgoed.
  • CONSUMENTENPRIJSINDEX (CPI)
    • Een index die wordt gebruikt voor het meten van de inflatie, of van de snelheid waarmee de prijzen voor een mandje van door huishoudens gekochte goederen en diensten veranderen. De inhoud van het mandje wordt geacht representatief te zijn voor de producten en diensten waar consumenten normaliter geld aan uitgeven. Het mandje wordt geregeld bijgewerkt.
  • CONVERTEERBARE OBLIGATIES
    • Vastrentende effecten (obligaties) die kunnen worden ingeruild voor een vooraf bepaald aantal bedrijfsaandelen op bepaalde momenten tijdens hun looptijd.
  • CORRECTIE
    • Wanneer de prijs van een actief, effect of index met meer dan 10% daalt, meestal na een haussebeweging of een stijgende markt.
  • COUPON
    • De rente die wordt betaald door de overheid of de vennootschap die een lening heeft aangegaan door obligaties te verkopen. De coupon vormt doorgaans een vast bedrag, dat wordt berekend als een percentage van de totale lening en op geregelde tijdstippen wordt uitbetaald.
  • CREDIT DEFAULT SWAP (CDS)
    • Een contract met verzekeringkenmerken waarmee een belegger het wanbetalingsrisico van een obligatie kan overdragen aan een andere belegger. De koper van een CDS betaalt regelmatige premies aan de verkoper, die de koper moet vergoeden ingeval de onderliggende obligatie in gebreke blijft. Een CDS is een type derivaat – een financieel instrument waarvan de waarde en koers afhangen van de onderliggende activa.

D

  • DEELNEMINGSRECHT
    • Aandeel in een deelnemingsrechtentrust, een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de onderliggende beleggingen. De grootte van de trust neemt toe of af wanneer beleggers deelnemingsrechten kopen of verkopen.
  • DEELNEMINGSRECHTENTRUST
    • Een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de waarde van de onderliggende beleggingen van het fonds, en dat gestructureerd is als een trust, in plaats van als een vennootschap.
  • DERIVATEN
    • Financiële instrumenten waarvan de waarde en koers afhangen van een of meer onderliggende activa. Derivaten kunnen worden gebruikt om blootstelling te verwerven aan, of als bescherming tegen, verwachte veranderingen in de waarde van de onderliggende beleggingen. Derivaten kunnen worden verhandeld op een gereglementeerde effectenbeurs of rechtstreeks tussen twee partijen (over-the-counter).
  • DEVIEZENTRANSACTIES
    • De omzetting van een valuta in een andere valuta. De deviezen- of valutamarkt verwijst ook naar de wereldwijde markt waar valuta's virtueel 24 uur per dag worden verhandeld. De Engels term ‘foreign exchange’ wordt vaak afgekort tot ‘forex’ en soms tot ‘FX’.
  • DIVERSIFICATIE
    • De praktijk om te beleggen in uiteenlopende activa, waarvan het rendement naar verwachting onafhankelijk van elkaar zou moeten evolueren. Dit is een risicobeheertechniek waarbij, in een goed gediversifieerde portefeuille, een verlies op een bepaalde belegging zou moeten worden gecompenseerd door winsten in andere beleggingen, om zo de impact op de algemene portefeuille te verlagen.
  • DIVIDEND
    • Een deelname in de winst van een bedrijf, die op bepaalde momenten gedurende het jaar wordt uitbetaald aan de aandeelhouders.
  • DIVIDENDOPBRENGST
    • Jaarlijkse inkomsten die op een bepaalde datum door een bedrijf worden uitgekeerd, uitgedrukt als een percentage van zijn aandeelkoers.
  • DOELBENCHMARK
    • Een benchmark, zoals een index of sector, die een fondsbeheerder wil evenaren of overtreffen. De beheerder kan zelf kiezen welke effecten en strategie hij kiest om dat doel te bereiken.
  • DOOR ACTIVA GEDEKTE EFFECTEN
    • Obligaties (vastrentende effecten) die worden gedekt door activa die kasstromen genereren, zoals hypotheekleningen, creditcardvorderingen en autoleningen.
  • DURATION
    • Een maatstaf voor de gevoeligheid van een vastrentend effect (obligatie) of een obligatiefonds voor veranderingen in de rentevoeten. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid voor veranderingen in de rentevoeten.
  • DURATIONRISICO
    • Het risico dat de prijs van een vastrentend effect (obligatie) of obligatiefonds sterk zal veranderen wanneer de rentevoeten veranderen. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid en dus ook hoe hoger het risico in geval van veranderingen in de rentevoeten. 

E

  • EFFECT
    • Financiële term voor een papieren actief – doorgaans een aandeel in een bedrijf of een vastrentend effect, ook obligatie geheten.
  • EFFECTIEF RENDEMENT (OBLIGATIE)
    • Het effectief rendement is een schatting van het rendement op jaarbasis over de looptijd van de obligatie als deze tot de vervaldag wordt aangehouden, ervan uitgaand dat alle betalingen (rente en hoofdsom) volgens plan worden gedaan. Dit is het intern rendement van de obligatie, oftewel de rente die wordt gebruikt om alle kasstromen van de obligatie te verdisconteren, zodat hun huidige waarden bij elkaar de koers zijn waartegen de obligatie momenteel op de markt wordt verhandeld.
  • EFFECTISEREN/EFFECTISERING
    • De aanmaak en uitgifte van verhandelbare effecten, zoals obligaties, die worden gedekt door de inkomsten uit een illiquide actief of groep van activa. Door het bundelen van een verzameling van illiquide activa, zoals hypotheken, kunnen effecten die worden gedekt door de inkomstenbetalingen van de hypotheken worden verpakt en verkocht aan een bredere waaier van beleggers.
  • EMITTENT
    • Een entiteit die effecten verkoopt zoals vastrentende effecten en bedrijfsaandelen.
  • EPISODE
    • Een periode waarin de emoties van de beleggers hun beslissingen sterker beïnvloeden dan gewoonlijk. Dat kan leiden tot irrationele bewegingen op de financiële markten.
  • EX-DIVIDEND, EX-UITKERING OF XD-DATUM
    • De datum waarop gedeclareerde uitkeringen officieel de eigendom worden van onderliggende beleggers. Op de XD-datum daalt de aandeelkoers gewoonlijk met het bedrag van het dividend, ter weerspiegeling van de uitbetaling.

F

  • FLOATING RATE NOTES (FRN's)
    • Effecten waarvan de rentebetalingen (inkomsten) periodiek worden aangepast, afhankelijk van de verandering in een referentierente.
  • FUNDAMENTALS (BEDRIJF)
    • De basisprincipes, regels, wetten of dergelijke, die het fundament van een systeem vormen. De fundamentals van een bedrijf hebben specifiek betrekking op dat bedrijf, en omvatten factoren zoals zijn businessmodel, winst, balans en schulden.
  • FUNDAMENTALS (ECONOMISCH)
    • De basisprincipes, regels, wetten of dergelijke, die het fundament van een systeem vormen. Economische fundamentals zijn factoren zoals inflatie, werkgelegenheid en economische groei.
  • FUTURES
    • Een futurescontract is een contract tussen twee partijen om een bepaalde grondstof of financieel instrument te kopen of te verkopen op een van te voren afgesproken toekomstige datum. Futurescontracten zijn gestandaardiseerd en worden verhandeld op gereglementeerde beurzen.
  • FYSIEKE ACTIVA
    • Een voorwerp van waarde dat tastbaar is, zoals contant geld, apparatuur, voorraden of onroerende goederen. Fysieke activa kunnen ook verwijzen naar effecten, zoals bedrijfsaandelen of vastrentende effecten.

G

  • GELDMARKTINSTRUMENTEN
    • Schuld die moet worden terugbetaald binnen een jaar, in de vorm van effecten die worden gekocht en verkocht door institutionele beleggers zoals banken, pensioenfondsen, vermogensbeheerders enz. Particuliere beleggers moeten via een tussenpersoon zoals een bank of vermogensbeheerder werken om in deze instrumenten te kunnen beleggen.
  • GEWIJZIGDE DURATION
    • Een maatstaf voor de gevoeligheid van een obligatie of een obligatiefonds voor veranderingen in de rentevoeten, uitgedrukt in jaren. Hoe langer de duration van een obligatie of obligatiefonds, hoe hoger de gevoeligheid voor veranderingen in de rentevoeten.
  • GILTS
    • Vastrentende effecten uitgegeven door de Britse overheid. Ze worden gilts (verguld) genoemd omdat ze vroeger werden uitgegeven op goudgerand papier. 
  • GLOBAL COMPACT VAN DE VERENIGDE NATIES
    • Een initiatief van de Verenigde Naties om bedrijven over de hele wereld aan te moedigen duurzame en maatschappelijk verantwoorde beleidsmaatregelen te implementeren, en verslag uit te brengen over hun implementatie.

H

  • HARDE VALUTA (OBLIGATIES)
    • Vastrentende effecten (obligaties) die luiden in een frequent verhandelde, relatief stabiele internationale valuta, en niet in de lokale valuta van de emittent van de obligatie. Obligaties die worden uitgegeven in een relatief stabiele harde valuta, zoals de Amerikaanse dollar, kunnen aantrekkelijker zijn voor beleggers als de vrees bestaat dat de lokale valuta na verloop van tijd waarde verliest, wat de waarde van de obligaties en hun inkomsten uitholt.
  • HAUSSEMARKT
    • Een markt (ook stierenmarkt geheten) die wordt gekenmerkt door optimisme bij de beleggers en vertrouwen in aanhoudend goede rendementen, wat leidt tot stijgende effectenkoersen.
  • HEFBOOMEFFECT
    • In verband met een bedrijf, het niveau van de schulden van een bedrijf ten opzichte van zijn activa. Van een bedrijf met aanzienlijk meer schulden dan kapitaal wordt gezegd dat het een hoge hefboom vertoont. Kan ook verwijzen naar een fonds dat geld leent of derivaten gebruikt om een beleggingspositie te verhogen.
  • HISTORISCHE OPBRENGST
    • De historische opbrengst weerspiegelt de uitkeringen die zijn gedeclareerd tijdens de afgelopen 12 maanden, als een percentage van de aandeelkoers op de betrokken datum.
  • HOOFDSOM
    • De nominale waarde van een vastrentend effect, dus het bedrag dat door de lener moet worden terugbetaald aan de belegger na afloop van de looptijd van het effect.
  • HOOGRENTENDE OBLIGATIES
    • Leningen in de vorm van vastrentende effecten uitgegeven door bedrijven met een lage kredietrating van een erkend ratingbureau. Ze worden geacht gepaard te gaan met een hoger wanbetalingsrisico dan vastrentende effecten van betere kwaliteit, met een hogere rating, maar zij bieden ook de kans op een hogere beloning. Een wanbetaling houdt in dat een obligatie-emittent niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk geleende bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.

I

  • ICBE
    • Staat voor Instelling voor Collectieve Belegging in Effecten. Dit is het Europese regelgevingskader voor een beleggingsinstrument dat over de hele Europese Unie kan worden verkocht. Het is bedoeld voor de versterking van de eengemaakte markt in financiële activa met behoud van een hoge mate van beleggersbescherming.
  • INDEX VOLGEN
    • Een fondsbeheerstrategie die ernaar streeft de participaties in en het rendement van een bepaalde index te repliceren. Staat ook bekend als passieve beleggingsstrategie.  
  • INDEX
    • Een index vertegenwoordigt een bepaalde markt of deel daarvan, en dient als rendementsindicator voor die markt of dat segment.
  • INDEXGEKOPPELD FONDS
    • Een fonds dat belegt in indexgekoppelde obligaties. Dit zijn vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie.
  • INDEXGEKOPPELDE OBLIGATIES
    • Vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie. Ook inflatiegekoppelde obligaties geheten.
  • INFLATIE
    • De snelheid waarmee de levensduurte toeneemt. De inflatie wordt doorgaans vermeld als een jaarlijks percentage, waarbij de gemiddelde prijzen van de huidige maand worden vergeleken met die van een jaar eerder.
  • INFLATIEGEKOPPELDE OBLIGATIES
    • Vastrentende effecten waarbij zowel de waarde van de lening als de rentebetalingen tijdens de looptijd van het effect worden aangepast aan de inflatie. Ook indexgekoppelde obligaties geheten.
  • INFLATIERISICO
    • Het risico dat de inflatie het rendement van een belegging zal uithollen. (Zie ook reëel rendement)
  • INKOMSTEN
    • Geld dat voor een belegging wordt uitbetaald. Dividenden zijn inkomsten uit aandelen. Inkomsten uit obligaties worden rente of coupon genoemd.
  • INKOMSTENOPRENGST
    • Verwijst naar de inkomsten die uit een belegging voortvloeien. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.
  • INTRINSIEKE WAARDE (IW)
    • De huidige waarde van de activa van een fonds min zijn verplichtingen. Ook nettovermogenswaarde of netto-inventariswaarde geheten.
  • INVESTMENT ASSOCIATION (IA)
    • De Britse vakorganisatie die de fondsbeheerders vertegenwoordigt. Zij werkt met beleggingsbeheerders, overlegt met de overheid over belastingen en regelgeving, en streeft er ook naar de beleggers inzicht te bieden in de sector en de beschikbare beleggingsopties.
  • INVESTMENT TRUST COMPANY
    • Een vorm van gesloten fonds dat op de publieke markten wordt verhandeld. Het aantal uitstaande aandelen is vastgelegd en de koers schommelt boven of onder de boekwaarde van de onderliggende activa.

J

  • JAARLIJKSE KOSTEN
    • Dit zijn de kosten, vergoedingen en uitgaven voor het beheer van elke activaklasse die een percentage van de netto intrinsieke waarde (NIW) van elke activaklasse vertegenwoordigen. Ze worden dagelijks berekend als één 365ste van het jaarlijks percentage, toegepast op de NIW van de vorige handelsdag. Aandeelhouders kunnen profiteren van potentiële kortingen als gevolg van schaalvoordelen als de activa onder beheer sterk zijn gegroeid. Uitgebreide informatie over deze mogelijke besparingen is te vinden in het prospectus van het fonds. 

K

  • KAPITAAL
    • Verwijst naar de financiële activa, of middelen, waarover een bedrijf beschikt om zijn zakelijke activiteiten te financieren.
  • KAPITAALRENDEMENT
    • De term voor de winst of het verlies uit een belegging gedurende een bepaalde periode. Kapitaalrendement omvat enkel vermogenswinst of -verlies, en is exclusief inkomsten (in de vorm van rente- of dividendbetalingen).
  • KAPITAALSTRUCTUUR
    • De samenstelling van de verplichtingen van een bedrijf. Verwijst naar de manier waarop een bedrijf zijn activa financiert via een combinatie van eigen vermogen – wat verwijst naar de inzameling van kapitaal door de verkoop van aandelen – en schulden. Bij de verwijzing naar kapitaalstructuur ligt de focus vaak op de verhouding tussen schulden en eigen vermogen van een bedrijf, die een indicator vormt voor de risicograad van het bedrijf. Hoe hoger deze verhouding, hoe meer risico het bedrijf vertoont.
  • KAPITALISATIE
    • De totale marktwaarde van alle uitstaande aandelen van een bedrijf.
  • KAPITALISATIEAANDELEN
    • Een type aandelen waarbij uitkeringen automatisch worden herbelegd en worden weerspiegeld in de waarde van de aandelen.
  • KAPITALISATIEDEELNEMINGSRECHTEN
    • Een type deelnemingsrechten waarbij uitkeringen automatisch worden herbelegd en worden weerspiegeld in de waarde van de deelnemingsrechten.
  • KOERS/WINSTVERHOUDING
    • De huidige aandeelkoers van een bedrijf gedeeld door zijn winst per aandeel. Biedt een leidraad voor de kijk van de markt op de vooruitzichten inzake de toekomstige winsten van het bedrijf. Hoe hoger deze verhouding, hoe sterker de winst van het bedrijf zal moeten toenemen om zijn huidige aandeelkoers te rechtvaardigen.
  • KORTLOPENDE BEDRIJFSOBLIGATIES
    • Vastrentende effecten die worden uitgegeven door bedrijven en op relatief korte termijn moeten worden terugbetaald.
  • KORTLOPENDE STAATSOBLIGATIES
    • Vastrentende effecten die worden uitgegeven door overheden en op relatief korte termijn moeten worden terugbetaald.
  • KREDIET
    • De leencapaciteit van een persoon, bedrijf of overheid. Deze term wordt door beleggers ook gebruikt als synoniem voor vastrentende effecten uitgegeven door bedrijven (bedrijfsobligaties) en voor de leningen die worden verstrekt aan een bedrijf.
  • KREDIETONDERZOEK
    • Het proces waarbij een vastrentend effect (obligatie) wordt onderzocht om het vermogen van de lener om te voldoen aan zijn schuldverplichtingen te beoordelen. Het onderzoek is bedoeld om het niveau te bepalen van het risico van wanbetaling in verband met beleggingen in de betrokken obligatie.
  • KREDIETRATING
    • Een beoordeling door een kredietratingbureau van het vermogen van een lener om zijn schulden terug te betalen. Een hoge rating geeft aan dat het kredietratingbureau meent dat de emittent een laag risico van wanbetaling vertoont. Een lage rating wijst op een hoog risico van wanbetaling. Standard & Poor’s, Fitch en Moody’s zijn de drie bekendste kredietratingbureaus.
  • KREDIETRATINGBUREAU
    • Een bedrijf dat de financiële soliditeit analyseert van emittenten van vastrentende effecten (obligaties) en hun schuld een bepaalde rating toekent. Enkele voorbeelden zijn Standard & Poor’s, Moody's en Fitch.
  • KREDIETRISICO
    • Het risico dat een financiële verplichting niet wordt betaald en dat de leningverstrekker verlies lijdt.
  • KREDIETSELECTIE
    • De beslissing om al dan niet krediet te verstrekken en hoeveel, dus de beslissing om een bepaald vastrentend effect (obligatie) al dan niet te kopen. 
  • KREDIETSPREAD
    • Het verschil tussen de opbrengst van een bedrijfsobligatie (een vastrentend effect uitgegeven door een bedrijf) en een staatsobligatie met dezelfde looptijd. Opbrengst verwijst naar de inkomsten uit een belegging en wordt uitgedrukt als een percentage van de huidige marktwaarde van de belegging.
  • KREDIETSYSTEEM
    • Het geheel van regels en instellingen dat betrokken is bij het verstrekken van leningen op commerciële basis.

L

  • LIQUIDE MIDDELEN
    • Deposito's of beleggingen die met contanten vergelijkbare kenmerken vertonen.
  • LIQUIDITEIT
    • Verwijst naar het gemak waarmee activa in contanten kunnen worden omgezet wanneer nodig. De aandelen van een bedrijf worden als sterk liquide beschouwd als ze makkelijk kunnen worden gekocht of verkocht, omdat ze frequent en in hoge aantallen worden verhandeld.
  • LONGPOSITIE
    • Belegging in een effect waarvan de waarde naar verwachting zal stijgen.
  • LOPENDE KOSTEN
    • Het cijfer van de lopende kosten vertegenwoordigt de bedrijfskosten die beleggers naar verwachting redelijkerwijs zullen moeten betalen in normale omstandigheden.

M

  • MACRO-ECONOMISCH
    • Verwijst naar de globale prestaties en het gedrag van een economie, bijvoorbeeld op regionaal of nationaal niveau. Economiebrede factoren zoals bruto binnenlands product, werkloosheid en inflatie staan bekend als macro-economische factoren die kernindicatoren voor de economische prestaties zijn. Soms afgekort tot ‘macro’.
  • MET CONTANTEN VERGELIJKBARE MIDDELEN
    • Deposito's of beleggingen die met contanten vergelijkbare kenmerken vertonen.
  • MONETAIR BELEID
    • De regeling van centrale banken van het geld in omloop en de rentevoeten.
  • MONETAIRE VERSOEPELING
    • Verwijst naar het beleid van centrale banken die hun rente verlagen of effecten kopen op de open markt om de hoeveelheid geld in omloop te verhogen.
  • MONETAIRE VERSTRAKKING
    • Verwijst naar het beleid van centrale banken die hun rente verhogen of effecten verkopen op de open markt om de hoeveelheid geld in omloop te verlagen.
  • MORNINGSTAR™
    • Een aanbieder van onafhankelijk beleggingsonderzoek, met inbegrip van rendementsstatistieken en onafhankelijke fondsratings.

N

  • NIET-GENOTEERDE AANDELEN
    • Aandelen in bedrijven die niet worden genoteerd aan een publieke beurs, ook bekend als private bedrijven. 

O

  • OBLIGATIE-UITGIFTE
    • Een serie vastrentende effecten (obligaties) die door een bedrijf of overheid voor verkoop worden aangeboden aan het publiek. Als de obligaties voor het eerst worden verkocht, heet dit een ‘nieuwe uitgifte’.
  • OBLIGATIE
    • Een lening in de vorm van een effect, meestal uitgegeven door een overheid of een bedrijf. Over de obligatie wordt doorgaans een vaste rente uitbetaald (ook coupon geheten) gedurende een bepaalde periode, waarna het aanvankelijk geleende bedrag wordt terugbetaald.
  • OBLIGATIES IN LOKALE VALUTA
    • Obligaties die luiden in de valuta van het land van de emittent, in plaats van in een veel verhandelde internationale ‘harde’ valuta, zoals de Amerikaanse dollar. De waarde van obligaties in lokale valuta zal doorgaans meer schommelen dan die van obligaties die zijn uitgegeven in een harde valuta, die meestal stabieler zal zijn.
  • OBLIGATIES ONDER BELEGGINGSKWALITEIT
    • Schuldbewijzen uitgegeven door een bedrijf met een lage kredietrating van een erkend ratingbureau. Zij worden geacht een hoger risico op wanbetaling te hebben dan obligaties die zijn uitgegeven door bedrijven met een hogere kredietrating. Een wanbetaling houdt in dat een lener niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.
  • OBLIGATIES VAN BELEGGINGSKWALITEIT
    • Vastrentende effecten die zijn uitgegeven door een overheid of bedrijf met een gemiddelde of hoge kredietrating van een erkend ratingbureau. Ze worden geacht een lager risico op wanbetaling te hebben dan obligaties die zijn uitgegeven door emittenten met een lagere kredietrating. Een wanbetaling houdt in dat een lener niet in staat is rente te betalen of het oorspronkelijk belegde bedrag terug te betalen na afloop van de looptijd van een effect.
  • ONDERLIGGENDE OPBRENGST
    • Verwijst naar de inkomsten die worden ontvangen door een beheerd fonds, en wordt meestal jaarlijks uitgedrukt als een percentage van de huidige waarde van het fonds.
  • ONDERLIGGENDE WAARDE
    • De fundamentele waarde van een bedrijf die zijn materiële en immateriële activa weerspiegelt, en niet zozeer zijn huidige marktwaarde of aandeelkoers.
  • ONDERWOGEN
    • Bezit van een kleinere verhouding van een aandeel dan de benchmarkindex of sector.
  • ONTWIKKELDE ECONOMIE/MARKT
    • Gevestigde economie met een hoge industrialisatiegraad, levensstandaard en veiligheid.
  • OPBRENGST (AANDELEN)
    • Verwijst naar de dividenden die een houder van bedrijfsaandelen ontvangt. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.  Dividenden vertegenwoordigen een deelname in de winst van een bedrijf. Zij worden op bepaalde momenten gedurende het jaar uitbetaald aan de aandeelhouders van het bedrijf.
  • OPBRENGST (INKOMSTEN)
    • Verwijst naar de inkomsten die uit een belegging voortvloeien. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.
  • OPBRENGST (OBLIGATIES)
    • Verwijst naar de rente die een belegger ontvangt over een vastrentend effect. Doorgaans uitgedrukt als een jaarlijks percentage op basis van de kosten van de belegging, of haar huidige marktwaarde of nominale waarde.
  • OPBRENGST
    • Dit verwijst naar ofwel de rente ontvangen over een vastrentend effect ofwel de dividenden ontvangen over een aandeel. Doorgaans uitgedrukt als een percentage op basis van de kosten van de belegging of haar huidige marktwaarde of nominale waarde. Dividenden vertegenwoordigen een deelname in de winst van een bedrijf. Zij worden op bepaalde momenten gedurende het jaar uitbetaald aan de aandeelhouders van het bedrijf.
  • OPEN-END BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ
    • Een type van beheerd fonds waarvan de waarde rechtstreeks gekoppeld is aan de waarde van de onderliggende beleggingen van het fonds. Het fonds creëert of annuleert aandelen naargelang de beleggers ze willen verzilveren of aankopen.
  • OPKOMENDE ECONOMIE OF MARKT
    • Land dat een inhaalbeweging op ontwikkelde economieën maakt, met een snelle groei en toenemende industrialisatie. Beleggingen in opkomende markten worden doorgaans als riskanter beschouwd dan beleggingen in ontwikkelde markten.
  • OPSCHORTING VAN DE HANDEL
    • Tijdelijk stilleggen van de handel in een genoteerd effect op een aandelenbeurs. Dat kan vrijwillig zijn (op aanvraag van de emittent) of opgelegd door de toezichthouder. Een opschorting van de handel vindt meestal plaats voor een belangrijke aankondiging, na een technisch probleem, of vanwege regelgevingsproblemen.
  • OPTIES
    • Financiële contracten die het recht geven, maar niet de verplichting, om een actief te kopen of te verkopen tegen een bepaalde prijs op of voor een bepaalde datum in de toekomst.
  • OVER-THE-COUNTER (OTC)
    • Wanneer financiële activa rechtstreeks tussen twee partijen worden verhandeld, in plaats van via een beurs die specifiek bedoeld is voor effectenhandel. OTC staat ook bekend als buitenbeurshandel. 
  • OVERHEIDSSCHULD
    • Staatsschuld. Ook staatsobligaties geheten.
  • OVERWOGEN
    • Als een fonds ‘overwogen’ is in een aandeel, bezit het een grotere verhouding van dat aandeel dan de benchmarkindex of sector.

P

  • PASSIEF BEHEER
    • Een beleggingsaanpak waarbij kapitaal wordt gespreid naargelang de aandelen- of sectorale wegingen in een index. Passief beheer wordt ook omschreven als ‘indexeren’ of ‘volgen’.
  • PASSIEVE BEHEERDER
    • Een fondsbeheerder die een passieve beleggingsmethode hanteert. Een passieve belegger streeft ernaar het rendement van de aandelenmarkt of een bepaalde index/sector te evenaren, in plaats van het te overtreffen.
  • PORTEFEUILLETRANSACTIEKOSTEN
    • Omvat verhandelingskosten zoals makelaarsvergoedingen, clearing, wisselkosten en een bied/laat spread, naast belastingen zoals zegelrechten.
  • PREFERENTE AANDELEN
    • Preferente aandelen geven de houder recht op een vast dividend, waarvan de betaling voorrang heeft op gewone aandelen. Houders van preferente aandelen hebben doorgaans geen stemrecht, in tegenstelling tot gewone aandeelhouders. 
  • PRIVATE PLAATSING
    • Een aanbod voor de verkoop van effecten aan een relatief beperkt aantal door het bedrijf geselecteerde beleggers, doorgaans investeringsbanken, beleggingsfondsen, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen.
  • PROPERTY EXPENSE RATIO
    • Dit zijn de exploitatiekosten die betrekking hebben op het beheer van de vastgoedactiva in de portefeuille. Concreet gaat het bijv. om verzekeringen, huurherzieningen, leaseverlengingen en onderhoudskosten en reparaties, maar geen verbeteringswerkzaamheden. Ze hangen af van de activiteitsgraad in het fonds. De Property Expense Ratio is de verhouding van de vastgoedkosten tot de intrinsieke waarde van het fonds.

R

  • REAL ESTATE INVESTMENT TRUST (REIT)
    • Een beursgenoteerd bedrijf dat eigenaar, exploitant of financier is van inkomstengenererend vastgoed.
  • REËEL RENDEMENT
    • Het rendement van een belegging, gecorrigeerd voor veranderingen in de prijzen binnen een economie (inflatie).
  • REËLE OPBRENGST
    • Het rendement van een belegging, gecorrigeerd voor veranderingen in de prijzen binnen een economie (inflatie).
  • RELATIEF RENDEMENT
    • Het rendement van een actief binnen een bepaalde periode ten opzichte van dat van een bepaalde benchmark. Het wordt uitgedrukt als het verschil tussen het procentuele rendement van het actief en dat van de benchmark, en staat ook bekend als de alfa. 
  • RENDEMENT TOT DE VERWACHTE VERVALDAG (fonds)
    • Het rendement tot de verwachte vervaldag wordt berekend na aftrek van de kosten van het fonds als het gewogen gemiddelde rendement van alle deelnemingen van het fonds. Het wordt berekend in de basisvaluta van het fonds en omvat effecten van afgeleide instrumenten.
  • RENTERISICO
    • Het risico dat een vastrentende belegging aan waarde verliest als de rentevoeten stijgen.
  • RENTESWAP
    • Een overeenkomst tussen twee partijen om een vastrentende betaling te ruilen voor een variabele rentebetaling gedurende een bepaalde tijdspanne.
  • RESTERENDE LOOPTIJD
    • De tijd die overblijft tot het oorspronkelijk in een vastrentend effect belegde bedrag moet worden terugbetaald aan de houder van het effect.
  • RETAIL PRICES INDEX (RPI)
    • Een Britse inflatie-index die de mate van verandering meet van de prijzen voor een mandje van goederen en diensten in het VK, inclusief hypotheekbetalingen en gemeentebelastingen.
  • RISICO
    • De kans dat het rendement van een belegging zal verschillen van wat verwacht wordt. Het risico omvat de mogelijkheid dat een deel of het geheel van de oorspronkelijke belegging verloren gaat.
  • RISICO/RENDEMENTSVERHOUDING
    • Een verhouding die het verwachte rendement van een belegging vergelijkt met de mate van het genomen risico.
  • RISICOBEHEER
    • Term die wordt gebruikt voor de activiteiten die de fondsbeheerder ontplooit om het risico van verlies in een fonds te beperken.
  • RISICODRAGEND KAPITAAL
    • Het risico voor een belegger dat hij of zij het geheel of een deel van het belegde vermogen kan verliezen. 
  • RISICOPREMIE
    • De prijs of vergoeding voor het nemen van een hoger risico. Het is het verschil tussen het rendement van een risicovrij actief, zoals een staatsobligatie van hoge kwaliteit of contant geld, en het rendement van een belegging in een ander actief. Een hogere risicopremie houdt een hoger risico in.
  • RISICOVRIJ ACTIEF
    • Een actief dat in theorie geen risico draagt dat de lener in gebreke blijft, zoals contant geld of een staatsobligatie van hoge kwaliteit. 

S

  • SCHULDGRAAD
    • Het niveau van de schulden van een bedrijf ten opzichte van zijn kapitaal. Van een bedrijf met aanzienlijk meer schulden dan kapitaal wordt gezegd dat het een hoge schuldgraad heeft.
  • SCHULDINSTRUMENT
    • Een officieel contract dat een overheid, bedrijf of individuele persoon kan gebruiken om geld te lenen. Schuldinstrumenten bevatten de uitgebreide voorwaarden van de lening, zoals het bedrag en het tijdschema voor de betaling van de rente, de periode waarbinnen de hoofdsom wordt terugbetaald en eventuele garanties (onderpand) die de lener biedt. Elk type schuld kan een schuldinstrument zijn, van obligaties en leningen tot creditcards.
  • SECTOR
    • Een groep van fondsen met vergelijkbare beleggingsdoelstellingen en/of beleggingstypes, zoals geclassificeerd door entiteiten als de Investment Association (IA) of Morningstar™. Sectordefinities zijn meestal gebaseerd op de belangrijkste activa waarin een fonds kan beleggen, en kunnen ook een geografische focus hebben. Sectoren kunnen de basis vormen voor het vergelijken van de verschillende kenmerken van vergelijkbare fondsen, zoals hun rendement of kostenstructuur.
  • SHORT VERKOPEN
    • De praktijk waarbij marktdeelnemers activa verkopen die zij niet bezitten door ze tegen vergoeding te lenen van iemand die ze wel bezit. De shortverkoper moet de geleende activa na verloop van tijd terugbezorgen door ze te kopen op de open markt. Als de koers van de activa is gedaald, koopt de shortverkoper ze voor een lager bedrag dan wat hij of zij oorspronkelijk had betaald, wat winst oplevert. Het omgekeerde is echter net zo goed mogelijk.
  • SHORTPOSITIE
    • Een manier voor een belegger om de mening te concretiseren dat de markt in waarde zal dalen.
  • SICAV
    • Frans, staat voor société d'investissement à capital variable (beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal). Het is de West-Europese versie van een open-end beleggingsfonds. Veel gebruikt in Luxemburg, Zwitserland, Italië en Frankrijk, staat in de Europese Unie onder het toezicht van toezichthouders.
  • STAATSOBLIGATIES
    • Door een overheid uitgegeven lening in de vorm van vastrentende effecten. Doorgaans wordt er een vaste rente over uitbetaald gedurende een bepaalde periode, waarna de aanvankelijke belegging wordt terugbetaald.
  • STANDAARDDEVIATIE
    • Een statistische maatstaf van de verstrooiing van een gegevensset rond zijn gemiddelde, wat wijst op de verspreiding van een fondsrendement gedurende een bepaalde termijn.
  • SWAP
    • Een swap is een derivatencontract waarbij twee partijen overeenkomen afzonderlijke kasstromen te ruilen. Een veel gebruikt type swap is een renteswap, waarbij de ene partij kasstromen op basis van een variabele rentevoet ruilt tegen kasstromen op basis van een vaste rentevoet, als afdekking tegen het renterisico.
  • SWING PRICING
    • Swing pricing is een methode om langetermijnaandeelhouders in een fonds te beschermen tegen de kosten van transacties die worden uitgevoerd door beleggers op korte termijn. Wanneer beleggers aandelen in een fonds kopen of verkopen, moet de fondsbeheerder onderliggende effecten kopen of verkopen om ofwel de van de beleggers ontvangen contanten te beleggen, ofwel hun aandelen te verzilveren. Swing pricing is hoofdzakelijk bedoeld om de dagprijs van de aandelen aan te passen in het licht van de kosten voor het kopen of verkopen van de onderliggende effecten in het fonds. Dat zorgt ervoor dat transactiekosten zoals makelaarsvergoedingen en administratieve kosten worden gedragen door de beleggers die aandelen in het fonds verhandelen, en niet door aandeelhouders die op lange termijn in het fonds blijven. (Zie ook Verwateringscorrectie)
  • SYNTHETISCHE INFLATIEGEKOPPELDE OBLIGATIES
    • Effecten die worden gecreëerd via een combinatie van activa, om de kenmerken van inflatiegekoppelde obligaties na te bootsen. Een dergelijke gecombineerde belegging kan worden aangemaakt door inflatiegekoppelde staatsobligaties te kopen en bescherming tegen bedrijven die hun schulden niet voldoen te verkopen door middel van credit default swaps. De resulterende synthetische belegging zal een zelfde gedrag vertonen als een fysieke inflatiegekoppelde bedrijfsobligatie, als een dergelijke obligatie zou zijn uitgegeven. Synthetische inflatiegekoppelde obligaties worden doorgaans aangemaakt wanneer een bedrijf geen inflatiegekoppelde obligaties in omloop heeft.

T

  • TERMIJNCONTRACT
    • Een contract tussen twee partijen om een bepaalde grondstof of financieel instrument te kopen of te verkopen op een van te voren afgesproken toekomstige datum. Termijncontracten zijn maatwerk, en zij worden niet verhandeld op publieke beurzen, maar wel rechtstreeks tussen de betrokken partijen (over-the-counter).
  • TOP-DOWN BELEGGEN
    • Een beleggingsbenadering waarbij economische factoren worden geanalyseerd, om een zicht te krijgen op het 'grote plaatje', alvorens bedrijven te selecteren om in te beleggen. Een top-down belegger onderzoekt aspecten zoals economische groei, inflatie en de bedrijfscyclus om aandelen te kiezen.
  • TOTAAL RENDEMENT
    • De winsten of verliezen van een belegging gedurende een bepaalde periode, inclusief de inkomsten en koersstijgingen tijdens die periode. Inkomsten kunnen de vorm hebben van rente voor obligaties of dividendbetalingen voor aandelen.
  • TRANSACTIEKOSTEN
    • De verhandelingskosten, zoals makelaarsvergoedingen, clearing en wisselkosten, naast belastingen zoals zegelrechten.
  • TYPE DEELNEMINGSRECHT/AANDEEL
    • Type van de deelnemingsrechten/aandelen die een belegger bezit in een beleggingsmaatschappij of fonds. De types deelnemingsrechten/aandelen verschillen volgens kenmerken zoals of de inkomsten op de betalingsdatum contant worden uitbetaald dan wel worden herbelegd.

U

  • UITKERING
    • Uitkeringen vertegenwoordigen een deelname in de inkomsten van het fonds. Ze worden uitbetaald aan houders van Uitkeringsaandelen, of herbelegd voor houders van Kapitalisatieaandelen, op bepaalde tijdstippen tijdens het jaar (maandelijks, driemaandelijks, halfjaarlijks of jaarlijks). Dat kan gebeuren in de vorm van rente-uitkeringen (voor obligaties) of dividenduitkeringen (voor aandelen).
  • UITKERINGSAANDELEN
    • Een type aandelen waarbij de uitkeringen (ook dividenden geheten) contant worden uitbetaald op de betalingsdatum.
  • UITKERINGSDEELNEMINGSRECHTEN
    • Een type deelnemingsrechten waarbij de uitkeringen (ook dividenden geheten) contant worden uitbetaald op de betalingsdatum.
  • UITKERINGSOPBRENGST
    • Het bedrag dat naar verwachting door het fonds zal worden uitgekeerd tijdens de komende 12 maanden, uitgedrukt als een percentage van de aandeelprijs op een bepaalde datum. Het is gebaseerd op de verwachte bruto-inkomsten min de lopende kosten.

V

  • VALUTASTRATEGIE
    • Valuta's kunnen een aparte activaklasse zijn, net zoals bedrijfsaandelen, vastrentende effecten, onroerende goederen en liquide middelen. De valutastrategie – waarbij de fondsbeheerder tracht te profiteren van wisselkoersbewegingen – kan zo een bron van beleggingsrendement zijn.
  • VASTRENTEND EFFECT
    • Een lening in de vorm van een effect, meestal uitgegeven door een overheid of een bedrijf, waarover doorgaans een vaste rente wordt uitbetaald gedurende een bepaalde periode, waarna het aanvankelijk geleende bedrag wordt terugbetaald. Ook obligatie geheten.
  • VERGELIJKINGSBENCHMARK
    • De fondsbeheerder kiest de benchmark, die een index of een sector kan zijn, als vergelijkingsmaatstaf voor het rendement van het fonds, maar is niet verplicht de samenstelling ervan te repliceren. De benchmark wordt niet gebruikt voor andere doeleinden, zoals voor het bepalen van een eventuele prestatievergoeding.
  • VERMOGENSGROEI
    • Vindt plaats wanneer de huidige waarde van een belegging hoger ligt dan het oorspronkelijk belegde bedrag.
  • VERVROEGD AFLOSBARE OBLIGATIE
    • Een obligatie die door de emittent voor het einde van de looptijd kan worden afgelost. De prijs waartegen de emittent de obligatie terugkoopt, is normaliter hoger dan de uitgifteprijs. De emittent lost de obligatie meestal vervroegd af wanneer de rente daalt om de schuld te herfinancieren tegen de nieuwe, lagere rente.
  • VERWATERINGSCORRECTIE
    • Een aanpassing in de prijs van fondsaandelen, om ervoor te zorgen dat de kosten voor het kopen en verkopen van de aandelen worden gedragen door de instappende en uitstappende beleggers, en niet door de bestaande en blijvende beleggers. De verwateringscorrectie wordt gebaseerd op de directe en indirecte transactiekosten die voortvloeien uit het creëren en annuleren van aandelen in het fonds. (Zie ook swing pricing.)
  • VLUCHTHAVENACTIVA
    • Activa die volgens de beleggers relatief beschermd zijn tegen verlies in tijden van marktturbulentie.
  • VOLATIEL
    • Wanneer de waarde van een bepaald aandeel, een markt of een sector relatief vaak of sterk schommelt, wordt daar de term volatiel voor gebruikt.
  • VOLATILITEIT
    • De mate waarin de prijs van een bepaald effect, fonds of index verandert. De volatiliteit wordt berekend op basis van de afwijking van de norm voor dat type belegging tijdens een bepaalde periode. Hoe hoger de volatiliteit, hoe riskanter het effect meestal is.
  • VOORWAARDELIJK CONVERTEERBARE EFFECTEN
    • CoCo's (van het Engelse Contingent Convertible securities) zijn schuldbewijzen die kunnen worden ingeruild voor bedrijfsaandelen als bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Staan ook bekend als ‘hybride effecten’. 

W

  • WAARDERING
    • De waarde van een actief of bedrijf, op basis van de contante waarde van de kasstroom die het genereert.
  • WAARDERINGSMAATSTAVEN
    • Maatstaven om de huidige waarde van een actief of bedrijf te bepalen.
  • WANBETALING
    • Vindt plaats wanneer een lener niet voldoet aan zijn verplichtingen inzake rentebetalingen of terugbetaling van het geleende bedrag op de vervaldata.
  • WANBETALINGSRISICO
    • Het risico dat een obligatiehouder niet de verschuldigde rente en volledige terugbetaling ontvangt op de vervaldata.
  • WARRANT
    • Een effect dat wordt uitgegeven door een bedrijf en dat de houder het recht geeft om aandelen in dat bedrijf te kopen of te verkopen tegen een bepaalde prijs en binnen een bepaalde termijn.
  • WINST PER AANDEEL
    • De nettowinst van een bedrijf gedeeld door het aantal aandelen in omloop.
  • WINST-EN-VERLIESREKENING
    • Een financieel overzicht van de inkomsten, kosten en uitgaven van een bedrijf gedurende een bepaalde periode – meestal een kwartaal of een jaar.
  • WINSTRENDEMENT
    • Winst per aandeel gedeeld door de koers van het aandeel, uitgedrukt als een percentage. Het is de tegenhanger van de koers/winstverhouding en wordt gebruikt om de winst van het bedrijf te vergelijken met het rendement van obligaties, die vastrentende effecten zijn.

Z

  • ZONDER BEPERKINGEN
    • Het mandaat van een fonds waar de beheerder vrij beleggingen kan kiezen op basis van zijn of haar strategie, in plaats van het kapitaal te moeten spreiden volgens de wegingen van een index die het fonds tracht te overtreffen of te volgen.